|
|
| Line 573: |
Line 573: |
|
| |
|
| |-|Dutch= | | |-|Dutch= |
| <u>Perzische eik</u><ref group="note">De Perzische eik komt van nature voor in de bosgebieden tussen de Zwarte Zee en de Kaspische Zee en in het noorden van Irak en Iran, het voormalige Perzië. De boom kan tot wel 1.000 jaar oud en 25 à 30 meter hoog worden.</ref> | | ‘Het kan. Nu!’ |
| | |
| | Fajah grijpt de onderste tak van de oude <u>Perzische eik</u><ref group="note">De Perzische eik komt van nature voor in de bosgebieden tussen de Zwarte Zee en de Kaspische Zee en in het noorden van Irak en Iran, het voormalige Perzië. De boom kan tot wel 1.000 jaar oud en 25 à 30 meter hoog worden.</ref> vast. Boven zich hoort ze de keizersarenden naar elkaar roepen. Hun nest ligt op zo’n zeven meter hoogte. Ze heeft misschien één of twee minuten om het te bereiken en weer naar beneden te komen. Snel begint ze te klimmen. Ze heeft dit al vaak geoefend. Vroeger haalde haar opa zelf de eieren uit het nest. Het liefste zou hij dat nog steeds doen, maar het is gevaarlijk en zijn oude lichaam kan het niet meer. |
| | |
| | Terwijl ze klimt, laat haar opa een paar honderd meter verderop een vlieger buitelingen maken in de lucht. De vlieger is gemaakt van fijngeweven zijde waarop ze veren hebben geplakt, zodat het op een arend lijkt. Keizersarenden zijn territoriale dieren. Ze zullen geen andere roofvogel in de buurt van hun nest toestaan. Ook nu doen ze pogingen om de vlieger aan te vallen, maar ze hebben de wendbaarheid niet om hem bij te houden. |
|
| |
|
| [[File:|thumb|''Een arendsei uit het nest stelen is heel gevaarlijk. Wie niet oppast, riskeert zijn leven.'']] | | [[File:|thumb|''Een arendsei uit het nest stelen is heel gevaarlijk. Wie niet oppast, riskeert zijn leven.'']] |
| | |
| | Behendig beweegt Fajah door de takken naar boven. Soms moet ze zich een stukje aan haar armen optrekken, zo sterk is ze. Bovendien wil ze haar opa niet in de steek laten. Ze adoreert hem, hij is de enige die ze nog heeft. En zij is de enige die hij nog heeft. Het werk dat hij met de arenden doet is gevaarlijk. Hij wil haar niet vertellen waarom. De gevolgen zijn groot als het hen niet lukt om dit ei te pakken te krijgen. Iemand wacht erop. Iemand die belangrijk is. Opa probeerde er luchtig over te doen, maar ze hoorde de bezorgdheid in zijn stem. Op dit soort momenten verlangt ze naar haar moeder die er al heel lang niet meer is. Net als de rest van haar familie ligt ze begraven in de woestijn, in een graf met honderden doden. |
| | |
| | In het enorme nest liggen drie eieren in de kleur van rivierstenen met enkele bruine vlekjes. Ze zijn net iets groter dan een kippenei. ‘Neem de meest stralende,’ hoort ze in haar hoofd de stem van haar opa zeggen, maar in de schaduw van het bladerdek lijken alle eieren precies hetzelfde. Ze aarzelt. ‘Het ei dat je het meest aantrekt. Niet over nadenken. Vertrouw op je gevoel.’ |
| | |
| | Nog steeds twijfelt ze. Welk ei moet ze hebben? Wat als ze niet het juiste kiest? Ze strekt haar hand uit. Twijfelt weer. Nog steeds ziet ze geen enkel verschil. Ze wil opa niet teleurstellen. Ze wil hem laten zien dat ze het kan en dat ze op een dag net zo’n belangrijke roofvogeltrainer zal worden als hij. |
| | |
| | Het duurt te lang. Het mannetje, de kleinste keizerarend, heeft de vlieger te pakken. Met zijn scherpe klauwen scheurt hij de stof aan flarden. De restanten van de vlieger vallen op de kale grond. Even vliegt het mannetje door met een stukje stof waar nog een paar veren aan vastgeplakt zitten, maar dan voelen zijn gevoelige klauwen dat er geen bloed doorheen stroomt en laat hij het vallen. |
| | |
| <center>'''Angst'''</center> | | <center>'''Angst'''</center> |
| | ‘Fajah!’ hoort ze haar opa schreeuwen. ‘Schiet op!’ |
| | |
| | Ze grijpt het ei dat het dichtste bij haar ligt en terwijl ze hem in haar hand houdt, begint ze de afdaling te maken. Het vrouwtje, de grootste arend, ziet haar als eerste. Met uitgestrekte klauwen stort ze zich uit de lucht naar beneden. Klauwen waarmee ze een klein zoogdier kan doden en een mens ernstig verwonden. De takken van de boom zijn de enige bescherming die Fajah heeft. Ze duikt in elkaar, weet de woedende vogel net te ontwijken. |
| | |
| | Ook het mannetje heeft haar nu in de gaten. Hij cirkelt om de boom heen, wachtend op het moment waarop hij haar kan bereiken. Ondertussen laat hij zijn roep bij gevaar horen: ‘Owk owk owk.’ |
| | |
| | ‘Fajah!’ roept opa weer. Hij staat inmiddels hijgend onderaan de boom. Paniek klinkt in zijn stem. Ze is zich bewust van het ei in haar hand. Ze probeert hem in het met dons gevulde zakje aan haar riem te laten glijden, zodat hij niet kan breken, maar het lukt niet met één hand en ze kan de tak niet loslaten, want dan valt ze zeker naar beneden. |
| | |
| [[File:|thumb|''Het vrouwtje maakte zich klaar voor een duikvlucht.'']] | | [[File:|thumb|''Het vrouwtje maakte zich klaar voor een duikvlucht.'']] |
|
| |
|
| <u>spanwijdte</u><ref group="note">De spanwijdte van een vogel is de afstand tussen de twee vleugeluiteinden als de vogel vliegt. De vogel met de grootste spanwijdte, is de Grote Albatros, met 3,7 meter.</ref> | | De moeder doet nog een poging. Deze keer stoot ze dwars door de bladeren heen. Takken kraken. Fajah kijkt recht in de lichtgrijze ogen van de vogel omlijst door de gele oogleden. Haar gekromde snavel met de scherpe punt eraan opent zich in een poging om haar te pikken. De vogel is door het dolle heen en niet van plan om op te geven. |
| | |
| | “Fajah! Ze hoort de angst in opa's stem. Misschien moet ze het ei naar beneden gooien in de hoop dat hij het zal vangen. Het risico is te groot. En één ding is zeker, wat er ook gebeurt, het ei moet heel blijven. Nog steeds doen de vogels pogingen om bij haar te komen. Ze klemt haar hand steviger om de tak heen. Kijkt of ze niet op de een of andere manier een paar takken lager kan klimmen. |
| | |
| | De vogels cirkelen krijsend om de boom heen. Hun <u>spanwijdte</u><ref group="note">De spanwijdte van een vogel is de afstand tussen de twee vleugeluiteinden als de vogel vliegt. De vogel met de grootste spanwijdte, is de Grote Albatros, met 3,7 meter.</ref> is bijna twee meter en van dichtbij zien ze er angstaanjagend uit. Voorzichtig verplaatst Fajah haar gewicht en probeert een tak lager te komen. Bijna verliest ze haar evenwicht. Geschrokken klemt ze zich weer vast. Nog steeds met het ei in haar hand. Ze is bang dat ze het in een onoplettend moment zal breken. |
| | |
| <center>'''Opa Eymen'''</center> | | <center>'''Opa Eymen'''</center> |
| | Opa begint te fluiten, zoals hij altijd doet wanneer hij een van zijn vogels bij zich roept. Het is een schrille en hoge toon. Hij begint met zijn armen te zwaaien. “Ka-koe!’ roept hij. ‘Ka-koe!’ |
| | |
| | Beide vogels zijn afgeleid. Snel laat Fajah het ei in het zakje glijden en klimt een meter naar beneden. Opa staat nog steeds te zwaaien en maakt kleine sprongetjes in de lucht. ‘Ka-koe!’ schreeuwt hij weer. ‘Ka-koe!’ |
| | |
| | Dan besluit het vrouwtje dat het gevaar op de grond groter is dan dat in de boom en neemt een duikvlucht naar beneden. Ze scheert vlak langs hem heen. Het mannetje volgt haar voorbeeld. |
| | |
| | ‘Ren!’ roept opa terwijl hij de vogels van zich af probeert te slaan. ‘Ren! Ik kom zo achter je aan!’ |
| | |
| | Binnen enkele seconden klimt Fajah naar beneden. Ze zet het op een lopen, zo hard als ze kan. Dwars door de velden met de lentebloemen, langs het kleine bergbeekje dat vol met water zit van de gesmolten sneeuwtoppen. In de verte torent het pasgebouwde fort Alamut hoog boven haar uit. Ze is er één keer geweest, toen haar ouders en broers nog leefden. Het fort is gebouwd als een arendsnest en kijkt uit over de wijde omgeving, maar ze was vooral onder de indruk van de prachtige tuinen. |
| | |
| [[File:|thumb|''Het duurde jaren om het fort van Alamut te bouwen. Naast een verstevigde burcht herbergde het ook een belangrijke bibliotheek.'']] | | [[File:|thumb|''Het duurde jaren om het fort van Alamut te bouwen. Naast een verstevigde burcht herbergde het ook een belangrijke bibliotheek.'']] |
| | |
| | Tegenwoordig wonen opa en zij in een huisje dat verstopt zit tussen de rotswanden van het dal. Niemand mag weten waar ze zijn. Het werk dat ze doen is te belangrijk. De hut is zeker een kwartier lopen vanaf de eikenboom waar ze opa en de keizersarenden heeft achtergelaten. Als ze er bijna is, durft ze pas kalmer aan te doen. Ze loopt extra langzaam zodat opa haar in kan halen. Maar hij komt niet. |
| | |
| | Voor het huis blijft ze staan wachten. Vanaf de buitenkant lijkt het op een ingestorte grot. Een stapel stenen die de toegang tot een kloof versperren. Als je om de stenen heen loopt, zie je pas dat het een constructie is. Een dak. Een deur. Het ei bungelt in het tasje tegen haar zij. Ze weet dat ze het zo snel mogelijk naar binnen moet brengen. Naar het kastje van klei dat met een klein vuurtje warm wordt gehouden. Omstebeurt zullen ze wakker blijven om te zorgen dat het niet uitdooft. ‘Opa!’ roept ze. |
| | |
| | Geen antwoord. Alleen het weerkaatsen van haar stem tegen de gladde rotswanden. |
| | |
| | ‘Opa!’ |
| | |
| | Nog steeds geen antwoord. |
| | |
| | Het ei. Wat er ook gebeurt, opa zou willen dat ze het ei in veiligheid brengt, dus dat doet ze. Ze loopt het huis binnen. Het is eenvoudig ingericht met een houten tafel met twee stoelen. Aan de zijkant van de ruimte staan de kooien voor de roofvogels. Erachter een aparte kamer waar zij en opa slapen. Ze legt het donzen zakje in het kastje van klei en controleert het vuur. Ze doet er een klein blokje hout bij. De juiste temperatuur is essentieel om het ei over enkele dagen uit te laten komen. |
| | |
| <hr/> | | <hr/> |
| *'''Arendsblik:''' Zijn fenomenale gezichtsvermogen maakt van de keizerarend de ultieme jager. Door het grote aantal staafjes in zijn ogen kan hij ontzettend veel visuele informatie per seconde verwerken. Hij ziet ook zo'n 4 à 5 keer scherper dan de mens en kan een haas vanaf enkele kilometers hoog spotten. | | *'''Arendsblik:''' Zijn fenomenale gezichtsvermogen maakt van de keizerarend de ultieme jager. Door het grote aantal staafjes in zijn ogen kan hij ontzettend veel visuele informatie per seconde verwerken. Hij ziet ook zo'n 4 à 5 keer scherper dan de mens en kan een haas vanaf enkele kilometers hoog spotten. |
| Line 588: |
Line 637: |
| *'''Valkerij:''' Het trainen van roofvogels ontstond in het Midden-Oosten en Centraal-Azië. Omdat ze zulke goede jagers zijn, werden arenden gebruikt door nomaden om op klein wild te jagen in uitgestrekte grasvelden. Pas na de kruistochten waaide het over naar Europa waar de roofvogelsport uitgroeide tot de favoriete sport van vorsten en heersers. | | *'''Valkerij:''' Het trainen van roofvogels ontstond in het Midden-Oosten en Centraal-Azië. Omdat ze zulke goede jagers zijn, werden arenden gebruikt door nomaden om op klein wild te jagen in uitgestrekte grasvelden. Pas na de kruistochten waaide het over naar Europa waar de roofvogelsport uitgroeide tot de favoriete sport van vorsten en heersers. |
| <hr/> | | <hr/> |
| | |
| <center>'''Donkerrode vlekken'''</center> | | <center>'''Donkerrode vlekken'''</center> |
| | Dan draait ze zich om, rent de hut uit om opa te zoeken. Ze verwacht dat hij haar ergens halverwege tegemoet zal lopen, maar het knagende gevoel in haar onderbuik vertelt een ander verhaal. Ze heeft strikte instructies om geen lawaai te maken. Je weet nooit wie je kan horen. De vijand is overal. Maar ze blijft hem roepen, tegen beter weten in. |
| | |
| | Dan komt ze aan bij de eikenboom. De arenden zitten alweer hoog in hun nest alsof er niets aan de hand is. Geen spoor van opa te bekennen. Pas als ze dichterbij komt, ziet ze zijn gestalte liggen in het hoge gras. |
| | |
| | ‘Opa?’ vraagt ze voorzichtig. Zijn eenvoudige bruingrijze wollen cape is bedekt met donkerrode vlekken. ‘Opa?’ vraagt ze nog een keer. |
| | |
| | Hij beweegt. Gelukkig. Ze hurkt naast hem neer. ‘Gaat het?’ Door zijn dunne witte haar ziet ze de wonden op zijn hoofd. En niet alleen daar. Op zijn rechterarm zijn de gaten zichtbaar waar de scherpe klauwen de huid hebben doorboord. Ze ziet zijn vlees naar buiten stulpen en stukken van het bot van zijn onderarm waar het vlees helemaal is weggehouwen. |
| | |
| [[File:|thumb|''Een arendsei uit het nest stelen is aartsgevaarlijk. Wie niet oppast, bekoopt het met zijn leven.'']] | | [[File:|thumb|''Een arendsei uit het nest stelen is aartsgevaarlijk. Wie niet oppast, bekoopt het met zijn leven.'']] |
| | |
| | ‘Fajah.’ Hij kijkt op en perst een glimlach tevoorschijn. Hijgend gaat hij verder. ‘Is het veilig?’ |
| | |
| | ‘Ja, het ei ligt in de kast.’ |
| | |
| | ‘Gelukkig.’ Hij ademt oppervlakkig en moeizaam. Zijn woorden zijn nauwelijks verstaanbaar. ‘Dat is. het belangrijkste.’ Ze ziet nu dat de vogels zijn slagaders hebben doorboord. Op het ritme van zijn hart wordt helderrood bloed uit zijn pols naar buiten gepompt. Snel trekt ze haar riem af en bindt het strak om zijn arm heen om het bloeden te stoppen. Zijn huid, die normaal de kleur van het lichtbruine zand in de rivierbedding heeft, is grauw. Ze weet niet of het te laat is. |
| | |
| | ‘“Roshan,’ brengt hij dan uit. |
| | |
| | “Wie is dat?’ vraagt ze. |
| | |
| | ‘Ze komt… wanneer… hij. klaar is” Zijn mond zakt een stukje open. Zijn ogen lijken in het niets te staren. Ver voorbij de hoogte waarop de arenden in hun nest zitten, ver voorbij de wolken. Dit is allemaal mijn schuld, denkt Fajah. |
| | |
| <center>'''Donzig beest'''</center> | | <center>'''Donzig beest'''</center> |
| | Na twee dagen komt het ei uit. Een wit donzig beestje met nieuwsgierige zwarte oogjes en een klein krom snaveltje komt tevoorschijn. Ondanks het verdriet dat Fajah voelt om haar opa, moet ze toch glimlachen als ze het kleine kopje ziet. ‘Ik noem je Enkidu,’ fluistert ze. Ze kent Enkidu uit de sprookjes die haar opa haar vroeger vertelde als ze op hun met schapenvachten bedekte bedden lagen. Enkidu was een onoverwinnelijke krijger, opgevoed door beesten en voor niemand bang. Ze denkt terug aan opa’s vertrouwde stem in het donker. Hoe veilig ze zich voelde. Hoe ze moest lachen om de grapjes die hij maakte of soms haar adem inhield bij zijn griezelverhalen. |
| | |
| | Fajah kan wel een Enkidu gebruiken in haar leven. Nu opa er niet meer is, staat ze er helemaal alleen voor. Iedereen die ze ooit gekend heeft is dood. Soms kocht opa vlees of vachten van herders die een paar valleien verder hun schapen laten grazen. Hij heeft haar altijd op het hart gedrukt om nooit alleen de mannen te benaderen. Hij vertelde er niet bij waarom, maar ze heeft het idee dat het weleens te maken zou kunnen hebben met het bloed dat ze nu een keer per maand verliest en waarvoor opa haar een linnen zakje heeft gegeven dat ze opvult met mos. |
| | |
| | Al snel nadat de kleine arend helemaal uit het ei gekropen is, begint het een piepend geluid te maken. Fajah en opa hebben in een aparte ruimte een hermetisch afgesloten houten krat waarin ze levende muizen houden. Met de leren handschoen van haar opa aan, vist ze er eentje uit en steekt hem dood met haar dolk. Daarna snijdt ze hem in kleine stukjes, doopt die in water en voert die aan het kleine vogeltje. Gretig schrokt het beestje de stukjes vlees naar binnen. Ze voert nu de vogel nog met de hand, maar al snel zal ze het vlees voor de vogel op een andere plek klaarleggen, zodat hij haar niet zal gaan pikken zodra hij haar ziet. |
| | |
| [[File:|thumb|''Fajah's familie werd op klaarlichte dag uitgemoord door de troepen van de Orde.'']] | | [[File:|thumb|''Fajah's familie werd op klaarlichte dag uitgemoord door de troepen van de Orde.'']] |
| | |
| | Het opvoeden van een jong vogeltje zal nauwkeurig en met geduld en liefde moeten gebeuren. Hij zal zich moeten hechten aan mensen in plaats van zijn soortgenoten en tegelijkertijd zal hij moeten leren gehoorzamen. |
| | |
| | Nadat Enkidu zijn allereerste maaltje heeft gegeten, klemt ze een metalen ring om zijn pootje, zoals ze opa dat vaker heeft zien doen. Vroeger hield hij zo’n vijf of zes vogels tegelijkertijd die hij grootbracht en trainde. Totdat de Orde van de Ouden kwam en haar ouders, broers én de vogels vermoordde. Zij en opa hadden weten te ontsnappen omdat ze buiten in de vallei waren geweest om naar keizersarenden te zoeken. Ze kon zich niet veel meer van die dag herinneren, behalve dat ze thuiskwamen in het dorp en opa snel zijn hand voor haar ogen sloeg en daarna een kap over haar hoofd heen trok. Ze had niets gezien, maar ze had het jammeren van de weinige overlevenden gehoord en ze had het bloed geroken. Opa had nog wat spullen uit hun huis gered en daarna had hij haar meegenomen, terug de vallei in waar ze zich al lange tijd schuilhielden. |
| | |
| | Ze had hem vaak gevraagd naar wat er was gebeurd, maar hij had nooit antwoord willen geven. Het enige dat ze wist was dat hij op een dag in het voorjaar thuiskwam en haar opgetogen vertelde dat het tijd was voor een nieuwe keizersarend. |
| | |
| <center>'''Grafsteen'''</center> | | <center>'''Grafsteen'''</center> |
| | Nu hij er niet meer is, heeft ze geen idee wat de bedoeling is. Wie is Roshan, vraagt ze zich telkens af. Hoe weet ik waar en wanneer ik haar zal ontmoeten? Het enige dat ze nu kan bedenken is dat ze de vogel zal grootbrengen en trainen, precies zoals ze haar hele leven al heeft geleerd van opa. |
| | |
| | Na veertien dagen komen de eerste donkere veertjes op de rug van Enkidu tevoorschijn. Hij eet inmiddels acht tot tien keer per dag. De muizen in de krat planten zich in hoog tempo voort, maar Fajah gaat ook op jacht om hazen en zangvogels te schieten met haar katapult. Het is het beste als de jonge arend zoveel mogelijk soorten vlees eet om op te groeien tot een sterke vogel. |
| | |
| | Een paar weken later wordt het tijd voor zijn eerste vlucht. Ze neemt Enkidu, gezeten op haar lederen handschoen, mee naar buiten. Zijn verenkleed is nog niet af, maar hij heeft inmiddels de eerste slagpennen aan zijn vleugels en zal korte afstanden moeten kunnen vliegen. |
| | |
| [[File:|thumb|''Ze droomde dat Enkidu was uitgegroeid tot een machtige vogel en wraak nam voor haar vermoorde ouders en broers.'']] | | [[File:|thumb|''Ze droomde dat Enkidu was uitgegroeid tot een machtige vogel en wraak nam voor haar vermoorde ouders en broers.'']] |
| | |
| | Het is inmiddels hoogzomer. De ouders van Enkidu zijn al doorgevlogen naar het noorden, geen enkele van hun andere eieren is uitgekomen. Op de plek waar opa is gestorven en ze hem heeft begraven, heeft ze een mooie grote steen gelegd. De wind strijkt zachtjes door het verenkleed van Enkidu en maakt een zacht ruisend geluid. |
| | |
| | ‘Vlieg, Enkidu,’ zegt Fajah en probeert hem in de lucht te gooien. Hij klemt stevig de handschoen met zijn klauwen vast. Hij kijkt haar even aan alsof hij zich afvraagt wat ze in vredesnaam van hem wil. Pas na een paar pogingen lijkt hij het te begrijpen. Hij klappert een paar keer met zijn vleugels en weet een paar meters af te leggen. ‘Goed zo!’ roept Fajah. Voor het eerst sinds opa’s dood verschijnt er een brede lach op haar gezicht. |
| | |
| | Na een paar weken lukt het Enkidu om steeds hoger en steeds verder te vliegen. Zijn vleugels zijn inmiddels zandkleurig met zwarte penveren, het zal nog vijf jaar duren voordat hij de volwassenheid bereikt en zijn uiteindelijke kleuren heeft. Soms ziet ze hem zweven op de thermiek om opeens een duikvlucht naar beneden te maken. Ze heeft een loer gemaakt van een stuk opgevuld leder dat ze aan een touw om zich heen zwiept. Steeds vaker lukt het Enkidu om de ‘prooi’ te pakken te krijgen. Vaak heeft ze het gevoel dat ergens opa haar kan zien en trots op haar is. |
| | |
| <center>'''Roshan'''</center> | | <center>'''Roshan'''</center> |
| | Twee jaar later. Ze wordt midden in de nacht wakker. Voetstappen om het huis. Snel grijpt ze de dolk die altijd naast haar op de grond ligt. Ook Enkidu is wakker geworden. Ze hoort hem onrustig schuifelen op het houten blok waar hij ’s nachts op slaapt. Met de dolk in haar handen sluipt ze naar de ingang en duwt geruisloos de deur open. |
| | |
| | ‘Eymen?’ hoort ze een vrouw met een zware lage stem zeggen. |
| | |
| | Het is lange tijd geleden dat ze de naam van haar opa heeft gehoord. Fajah houdt haar adem in. Ze voelt haar vingers zich steviger om haar dolk sluiten. |
| | |
| | ‘Eymen?’ vraagt de vrouw nogmaals. |
| | |
| | “Wie is daar?’ vraagt Fajah. |
| | |
| | ‘Roshan.’ |
| | |
| | Fajah komt behoedzaam achter de stenen tevoorschijn. In het maanlicht staat een gedaante in een wit gewaad met donkerrode accenten. Vaag herinnert ze zich dit kostuum eerder te hebben gezien. Ze kan zich alleen niet meer herinneren waar en wanneer. |
| | |
| | “Je komt de vogel halen,’ zegt Fajah met trillende stem. Ze weet dat dit het moment is. Het moment waarvan ze hoopte dat het nooit zou komen. |
| | |
| | Roshan knikt alleen maar. Ze heeft een verweerd gezicht. Het gezicht van iemand die veel heeft gevochten en weet wat het is om te winnen en te verliezen. |
| | |
| | “Ik zal hem halen’ Met zware benen loopt Fajah naar binnen. Enkidu is alert, onrustig, alsof hij weet wat er gaat gebeuren. Ze maakt de dunne ketting waarmee hij vastzit aan het blok los en gebaart dat hij op de handschoen moet zitten. Gehoorzaam doet hij wat ze vraagt. Ze voelt dat ze ieder moment kan gaan huilen, maar drukt de tranen weg. Ze moet sterk zijn, voor opa. |
| | |
| [[File:|thumb|''Fajah herkende de kledij van de mysterieuze Roshan. Alsof ze die ooit al eerder heeft gezien.'']] | | [[File:|thumb|''Fajah herkende de kledij van de mysterieuze Roshan. Alsof ze die ooit al eerder heeft gezien.'']] |
| | |
| | Met de vogel op haar hand loopt ze naar buiten. |
| | |
| | ‘Hij is prachtig,’ zegt Roshan. ‘Is hij klaar?’ |
| | |
| | Ze knikt. |
| | |
| | Roshan kijkt haar vriendelijk aan. “Ik begrijp dat het moeilijk is. Maar deze vogel gaat veel betekenen voor ons volk. Ooit gaan er betere tijden komen.’ Ze steekt haar gehandschoende hand uit. |
| | |
| | Enkidu beweegt niet. Hij kijkt haar aan met zijn heldergrijze ogen. Ze is het enige wat hij ooit heeft gekend. |
| | |
| | ‘Ga, Enkidu,’ zegt Fajah. ‘Ga.’ Ze maakt een kleine beweging met haar onderarm, zodat hij begrijpt wat de bedoeling is. |
| | |
| | De vogel wipt over naar de andere handschoen. Roshan maakt het kettinkje vast zodat hij niet weg kan vliegen. |
| | |
| | ‘Hij heet Enkidu,’ zegt Fajah, terwijl ze een kapje over zijn hoofd doet. Als het kapje straks eraf mag, zal hij in een andere omgeving zijn bij andere mensen. Ver weg bij alles wat hij ooit heeft gekend. Het voelt als verraad. |
| | |
| | ‘Hij zal in goede handen zijn,’ zegt Roshan, terwijl ze zich omdraait. |
| | |
| | Fajah knikt, nog steeds vechtend tegen haar tranen. Langzaam verdwijnt de witte gestalte in de nacht met op haar arm de vogel waar ze zoveel van houdt. |
| | |
| | In de lente zullen de keizersarenden hopelijk terugkomen en zal ze een nieuw ei vinden. Voor opa, voor ons. |
| | |
| | - Einde - |
| </tabber> | | </tabber> |
|
| |
|
| Line 620: |
Line 761: |
|
| |
|
| |-|Dutch= | | |-|Dutch= |
| | Haar omslagdoek kleurde rood in het licht van de ondergaande zon. |
| | |
| | Rayan bracht al rennend over de daken van Bagdad zijn polsmes omhoog en liet zijn wapen wegschieten. Zijn dolk scheerde vlak langs haar wang en verdween achter haar. Hij zag dat ze met een hand langs haar wang ging, maar ze viel niet, wankelde zelfs niet. |
| | |
| | Hij had gemist. |
| | |
| | Basim, die naast hem rende, wierp hem een korte blik toe. |
| | |
| | Woorden waren niet nodig. Rayan wist dat hij te snel had gehandeld en daardoor slordig was geweest. Hij was inmiddels ruim een jaar bij Basim in de leer om opgenomen te worden door de Verborgenen, een groep die streed tegen de machtige Orde van de Ouden, dus hij kon zichzelf wel voor zijn hoofd slaan. Hij was ver genoeg met zijn opleiding om te weten dat dit soort kleine misstappen het verschil tussen leven en dood konden betekenen. |
| | |
| | Voor hen stapte de vrouw van een plat dak en verdween in de diepte. |
| | |
| | Rayan wilde haar achterna springen, maar Basim hield hem met een uitgestrekte arm tegen. ‘We weten al waar ze met de papieren naartoe gaat’ |
| | |
| | “Je wilt haar bij het paleis van <u>de kalief</u><ref group="note">De kalief staat aan het hoofd van het kalifaat. Zijn belangrijkste taak is het besturen van het rijk en het geloof te vertegenwoordigen en te beschermen. Hij werd gezien als een opvolger van de profeet Mohammed.</ref> opwachten?’ Rayan staarde naar het steegje onder hen. De vrouw was nergens te bekennen. |
| | |
| | ‘Er zijn daar tientallen, zo niet honderden soldaten en wachters,’ zei Imane, de derde persoon van hun kleine groep, die achter hen aan had gerend. Ze was geen officieel lid van de Verborgenen, maar een informant die hen af en toe hielp. ‘Dat ga je niet winnen.” |
| | |
| [[File:|thumb|''Basim groeide op als straatdief. Hij kende de straten en steegjes van Bagdad als zijn broekzak.'']] | | [[File:|thumb|''Basim groeide op als straatdief. Hij kende de straten en steegjes van Bagdad als zijn broekzak.'']] |
| | |
| | “Ik ben ook niet van plan van hen te winnen,’ zei Basim afgemeten. “Imane, je mag terug naar je post. Bedankt voor je hulp. Rayan, meekomen.’ |
| | |
| | Rayan trok zijn donkere kap verder over zijn hoofd en volgde Basim in de richting van de interne ring van Bagdad. Achter de dikke muren van de ring bevonden zich de prachtige groene tuinen van het grootse paleis van kalief Al-Mu’tamid. |
| | |
| | Basim ontweek de Grote Markt en andere drukbevolkte plekken. Hij nam Rayan mee door de vergeten, donkere straten van Bagdad tot ze op de dikke muur stuitten. |
| | |
| | ‘Blijf hier. Kijk of er geen soldaten aankomen.’ |
| | |
| | Basim glipte weg en Rayan drukte zich dichter tegen de muur in het steegje aan, zodat hij ongezien de weg voor zich in de gaten kon houden. De interne stenen ring was zo hoog dat wat daarachter lag zelfs vanaf hoge daken niet zichtbaar was. |
| | |
| | Het steegje was leeg; er liepen geen soldaten of wachters rond. Basim had deze plek duidelijk zorgvuldig uitgekozen. |
| | |
| | Ergens ergerde het Rayan dat hij niet zélf het voortouw had genomen. Het was het zoveelste teken van zijn incompetentie. Bij een van Rayans eerste missies was het hem niet gelukt een persoon, een vijand, te doden. In de hitte van gevechten dacht hij er niet bij na, maar kalm en bewust de genadeslag geven — het leven uit iemands ogen zien vloeien — het lukte hem niet. Hij leek er niet toe in staat. |
| | |
| | Rayan ademde sissend uit. Dit was niet waarom hij zich had aangesloten bij de Verborgenen. Hij wilde de Orde met de grond gelijkmaken na wat ze zijn ouders hadden aangedaan. Hij wilde zijn zusje de bescherming bieden die ze verdiende. |
| | |
| | Dan moest hij méér dan dit kunnen doen. |
| | |
| <center>'''Tunnelrat'''</center> | | <center>'''Tunnelrat'''</center> |
| <u>het vierde gebed</u><ref group="note">In de Islam zijn er vijf verplichte gebeden per dag. Deze gebeden vinden plaats op vaste momenten, maar de tijden verschillende per locatie. Dit hangt namelijk van de stand van de zon af. | | Toen <u>het vierde gebed</u><ref group="note">In de Islam zijn er vijf verplichte gebeden per dag. Deze gebeden vinden plaats op vaste momenten, maar de tijden verschillende per locatie. Dit hangt namelijk van de stand van de zon af. |
| #Fadjr (ochtendgebed) | | #Fadjr (ochtendgebed) |
| #Dhohr (middaggebed) | | #Dhohr (middaggebed) |
| #Asr (namiddaggebed) | | #Asr (namiddaggebed) |
| #Maghrib (avondgebed) | | #Maghrib (avondgebed) |
| #Isha (nachtgebed)</ref> | | #Isha (nachtgebed)</ref> door de moskeeën omgeroepen werd, merkte Rayan in zijn ooghoek ineens beweging op. Hij nam een andere houding aan, boog iets door zijn knieën en ging met één hand naar de pijlen op zijn rug. Het was een soldaat, gekleed in de kleuren van de kalief. De soldaat keek vluchtig over zijn schouder. Toen pas zag Rayan dat Basim achter hem liep. |
| | |
| | Rayan liet de pijl los en fronste. Basim zei iets tegen de soldaat en wees naar een lage houten deur, afgesloten met verschillende sloten, in de muur. De soldaat hurkte en haalde iets uit zijn kleding. Rayan hield de omgeving nauwlettend in de gaten terwijl de soldaat met een klein, glimmend voorwerp de sloten van de deur opende. Het vierde gebed kwam bijna tot zijn eind toen het laatste slot wegviel. |
| | |
| | Rayan zag dat Basim de deur opende en bedacht zich geen moment. Hij kwam van zijn plek en volgde zijn leermeester zwijgend door de tunnel die dwars door de muur ging. De soldaat schrok toen Rayan ineens naast hem verscheen, maar zei niets. Zodra Rayan door de opening was gekropen, hoorde hij dat de deur achter hen werd gesloten. |
|
| |
|
| [[File:|thumb|''De omgeving rond het paleis was een gevarenzone. Alle toegangswegen werden bewaakt door soldaten.'']] | | [[File:|thumb|''De omgeving rond het paleis was een gevarenzone. Alle toegangswegen werden bewaakt door soldaten.'']] |
| | |
| | De lage tunnel waar ze doorheen kropen, was klein en vochtig. Rayan ging bijna over zijn nek door de zure geur van schimmel en uitwerpselen die er hing. Hij ademde zoveel mogelijk door zijn mond tot ze bij het einde kwamen. Basim hakte met een dolk in de grond en het plafond en rukte de spijlen eruit die de opening afsloten. Aan deze kant was er geen goed afgesloten deur. |
| | |
| | Ze kwamen uit op de weelderigste tuin die Rayan ooit had gezien. Grote groene bomen, perfect gekapte struiken, kleurrijke planten die vol in bloei stonden en zorgvuldig aangelegde witte paden ertussendoor. Het grootste gedeelte van het volk zou dit nooit in hun leven te zien krijgen. |
| | |
| | Rayan en Basim zochten beschutting achter een aantal kronkelige bomen, zodat de rondwandelende wachters en soldaten hen niet zouden opmerken. |
| | |
| | ‘Ik dacht dat we niet gezien mochten worden door de soldaten van de kalief,’ zei Rayan zachtjes. Hij gebaarde met zijn kin naar de kleine doorgang. |
| | |
| | ‘Niet iedereen is omgekocht door de Orde, Rayan.’ Basim wierp een korte blik over zijn schouder. ‘Als Verborgenen werken we grotendeels alleen, maar nooit helemaal.” |
| | |
| <center>'''Tuinen van de kalief'''</center> | | <center>'''Tuinen van de kalief'''</center> |
| <u>kalligrafie</u><ref group="note">Kalligrafie is de kunst van het schrijven van sierlijke letters. Je hebt er speciale pennen met een brede punt voor nodig, zoals een ganzenveer, een rietpen of een bandschriftpen.</ref> | | Rayan liet zijn polsmes een stukje uit de schede komen terwijl hij de prachtige groene omgeving gespannen in de gaten hield. Basim liep voor hem uit tussen de bomen en struiken door. Hij leek precies te weten waar hij naartoe ging. Af en toe ving Rayan een glimp op van soldaten van de kalief, maar die waren zich duidelijk niet van zijn aanwezigheid bewust. Hier, binnen de beschermde muren van de kalief, waren de soldaten niet constant in de hoogste staat van paraatheid. |
| | |
| | Het immense paleis van de kalief werd tussen de bomen door zichtbaar. Witte muren en marmeren tegels, hoge torens en fraaie balustrades, alles rijkelijk versierd met schilderingen en <u>kalligrafie</u><ref group="note">Kalligrafie is de kunst van het schrijven van sierlijke letters. Je hebt er speciale pennen met een brede punt voor nodig, zoals een ganzenveer, een rietpen of een bandschriftpen.</ref>. |
| | |
| | “We moeten naar de vertrekken van Haroun Ibn Ishaq’ zei Basim, en zijn ogen gingen schichtig heen en weer. ‘Hij is de neef en raadgever van de kalief. Imane heeft me verteld dat hij in de linkervleugel van het paleis verblijft.” |
| | |
| | “Tweede verdieping, linkervleugel.’ Rayan knikte. ‘Ik heb het gehoord.” |
| | |
| | ‘Er zijn vier vertrekken daar, maar dat hoeft geen probleem te zijn.” Basim stopte met praten en manoeuvreerde zich zwijgend langs een groep struiken. Een soldaat liep vlak langs hen heen over het witte kiezelstenen pad. ‘De vrouw op het dak, hun boodschapper, zal de papieren naar hem toe brengen,’ zei Basim zodra de soldaat buiten gehoorafstand was. ‘We hoeven haar alleen bij de ingang op te wachten.” |
|
| |
|
| [[File:|thumb|''De kortste weg naar de vertrekken van de raadgever was door de tuinen van het paleis.'']] | | [[File:|thumb|''De kortste weg naar de vertrekken van de raadgever was door de tuinen van het paleis.'']] |
| | |
| | Ze bereikten het paleis zonder opgemerkt te worden en cirkelden eromheen om een goede ingang te vinden. Ondertussen hield Rayan de omgeving scherp in de gaten. Hij vertrouwde op Basims beslissingen, maar hij wilde de boodschapper niet missen. Ze mocht hem niet opnieuw ontglippen, die schande zou hij niet overleven. |
| | |
| | ‘Daar,’ zei Rayan na een tijd. Hij wees naar een onbewaakt raam. ‘Twee groepen wachters wisselen elkaar af. Er is een kort moment dat er niemand loopt.” |
| | |
| | Basim knikte goedkeurend. ‘Goed gezien.” |
| | |
| | Rayan verbeet een trotse grijns en hield zijn gezicht zorgvuldig neutraal. Een van Basims mondhoeken ging iets omhoog. |
| | |
| | ‘Als je haar ziet…” |
| | |
| | “grijp de papieren,’ vulde Rayan aan. |
| | |
| | ‘En,’ zei Basim, ‘zorg ervoor dat ze het verhaal niet kan navertellen” |
| | |
| | Rayan stopte midden in zijn pas. Sinds hij er maanden terug niet in was geslaagd om een persoon van de Orde te doden, had Basim hem niet meer opgedragen iemand te vermoorden. Tot nu. Rayan wist dat het erbij hoorde en had diverse keren tegenstanders dodelijk verwond in een gevecht. Maar het was iets anders om vooraf te beslissen om iemand te doden. |
| | |
| | ‘Begrepen,’ zei Rayan ten slotte en hij dwong zichzelf verder te lopen. |
| | |
| <hr/> | | <hr/> |
| *'''Centrum van kennis:''' Bagdad was een magneet voor wetenschappers en onderzoekers uit verre landen. Een bolwerk van innovatie en geleerdheid. Door de ligging aan rivieren, was Bagdad bovendien ideaal gesitueerd voor papierproductie. Hierdoor kwamen er meer boeken, boekenwinkels en musea voor in Bagdad dan in andere wereldsteden. | | *'''Centrum van kennis:''' Bagdad was een magneet voor wetenschappers en onderzoekers uit verre landen. Een bolwerk van innovatie en geleerdheid. Door de ligging aan rivieren, was Bagdad bovendien ideaal gesitueerd voor papierproductie. Hierdoor kwamen er meer boeken, boekenwinkels en musea voor in Bagdad dan in andere wereldsteden. |
| Line 640: |
Line 860: |
| *'''Ronde stad:''' De stad werd oorspronkelijk ontworpen in ringvorm waarbij de woonwijken zich aan de rand bevonden. Alle straten leiden naar een groot plein in het centrum waar het paleis van de kalief en de centrale moskee stonden. Het aantal inwoners groeide echter zo snel dat Bagdad tot ver buiten de cirkelvormige stadsmuren uitdijde. | | *'''Ronde stad:''' De stad werd oorspronkelijk ontworpen in ringvorm waarbij de woonwijken zich aan de rand bevonden. Alle straten leiden naar een groot plein in het centrum waar het paleis van de kalief en de centrale moskee stonden. Het aantal inwoners groeide echter zo snel dat Bagdad tot ver buiten de cirkelvormige stadsmuren uitdijde. |
| <hr/> | | <hr/> |
| | |
| <center>'''4 vs 2'''</center> | | <center>'''4 vs 2'''</center> |
| | De wacht wisselde elkaar af en een moment lang was het raam leeg, zoals Rayan had voorspeld. Basim en hij kwamen in beweging. Ze klauterden behendig omhoog in de schaduwen van de torens en sprongen over de balustrade heen. Geruisloos raakten hun voeten het marmer. Ze slopen verder het paleis in en gebruikten lege kamertjes en donkere hoeken om uit het zicht te blijven. |
| | |
| | Ineens stopte Basim. ‘Naar achteren,’ gebood hij met zachte maar stalen stem. |
| | |
| | Twee wachters kwamen de hoek om en zodra ze langs hen liepen doorboorde Basim in een vloeiende beweging met zijn polsmes de nek van de voorste en zwiepte een been onder de tweede wachter, waarmee hij deze vloerde. Rayan bracht zijn arm naar achteren en wierp een dolk richting de tweede wachter. Het kwam met een dof geluid in aanraking met diens schouder. Basim maakte het af door zijn keel door te snijden. |
| | |
| | Ze renden verder, met meer haast in hun tred dan voorheen. Het was slechts een kwestie van tijd voor er alarm geslagen zou worden in het paleis. |
| | |
| | Niet veel later bereikten ze de vertrekken van de raadgevers. |
| | |
| [[File:|thumb|''Met zwaard, dolk en vernuft schakelde Basim de wachters moeiteloos uit.'']] | | [[File:|thumb|''Met zwaard, dolk en vernuft schakelde Basim de wachters moeiteloos uit.'']] |
| | |
| | Er liepen vier soldaten rond. Rayan nam een aanloop en sprong op twee soldaten. Een van hen knalde met zijn achterhoofd tegen de marmeren grond en werd direct slap, de ander herpakte zich en ramde zijn elleboog in Rayans maag. Rayan struikelde achteruit, maar haalde met succes uit naar het gezicht van de soldaat. Wankelend bracht de soldaat zijn speer omhoog. Rayan duwde deze opzij en sloeg hem nogmaals in het gezicht. De neus van de soldaat brak onder Rayans knokkels. De speer viel, maar de soldaat slaagde erin om Rayans derde vuistslag te ontwijken. |
| | |
| | Er flitste iets. Een dolk. |
| | |
| | Rayan voelde een korte steek in zijn linker bovenbeen. Hij klemde zijn kaken op elkaar en ramde zijn polsdolk net onder de kin van de soldaat in zijn hals. De man viel, klauwend naar zijn hals, naar achteren. |
| | |
| | Het hele tafereel had niet meer dan een paar tellen geduurd. Hijgend en een beetje verdwaasd keek Rayan omhoog. Hij was ervan uitgegaan dat Basim de andere twee soldaten voor zijn rekening had genomen en dat klopte. Basim stak net op dat moment een dolk dwars door het oog van de laatste soldaat. |
| | |
| | Ze rolden de lichamen in een nis, zodat ze uit het zicht waren. Rayan probeerde niet naar de dode soldaten te kijken en slikte zijn opkomende misselijkheid weg. |
| | |
| | De boodschapper van de papieren was nog steeds nergens te bekennen. Rayan verwachtte half dat er elk moment een horde soldaten aan zou komen rennen. Ze stonden strategisch uit het zicht, dicht bij een vluchtroute en toch ging hij met zijn vingers regelmatig over de bovenkant van zijn overgebleven dolken. |
| | |
| <center>'''Het onderzoek'''</center> | | <center>'''Het onderzoek'''</center> |
| | “Waarvoor hebben we de papieren nodig?’ vroeg Rayan zacht. |
| | |
| | Basim keek kort opzij. ‘Dat vraag je nu?’ |
| | |
| | ‘Ik weet dat ze belangrijk zijn,’ ging Rayan koppig verder. ‘Maar wat staat er precies in?’ |
| | |
| | ‘Blijkbaar iets over manieren om ons bewustzijn te manipuleren.’ |
| | |
| | Rayan fronste. ‘Ons bewustzijn?” |
| | |
| | Basim zuchtte. ‘Volgens de propaganda-nonsens van de Orde willen ze het inzetten om geweld te verminderen, door agressieve uitlatingen en handelingen in mensen te laten verdwijnen. Ze willen dat gedeelte van de mens onderdrukken, zodat niemand een ander nog fysiek pijn kan doen.’ |
| | |
| | ‘En volgens de Verborgenen?’ |
| | |
| | Basim keek hem aan met een blik die Rayan maar al te goed kende. |
| | |
| | Rayan kon zijn blikken missen als kiespijn. Basim hield zich vaak alleen bezig met Rayans fysieke training en wuifde zijn ethische vraagstukken weg. Er was niets ethisch aan dat ze leden van de Orde uit de weg ruimden. Deze machtige en rijke groep die vanuit de schaduwen als een ijzeren dictator over het gewone volk regeerde, was kwaadaardig en gevaarlijk, dat was het belangrijkste. Maar er waren zeldzame momenten dat zijn norse leermeester wilde dat Rayan goed nadacht over waar ze precies voor vochten. |
| | |
| [[File:|thumb|''De wetenschappers wilden het resultaat delen met de Orde en de Verborgenen.'']] | | [[File:|thumb|''De wetenschappers wilden het resultaat delen met de Orde en de Verborgenen.'']] |
| | |
| | Het duurde even voor Rayan antwoordde: ‘Ze gaan het misbruiken om hun eigen doelen te bereiken.’ Hij dacht even na. ‘Het zal me niet verbazen als ze het zullen inzetten om al hun vijanden mak te maken.” |
| | |
| | Hoe langer Rayan erover nadacht, hoe zorgwekkender dit was. Een onderzoek dat de wereld in theorie beter hoorde te maken, zou er juist voor kunnen zorgen dat de toekomst een nachtmerrie werd. |
| | |
| | “Iedereen kan dit misbruiken,’ zei Basim. ‘Maar zij die gewend zijn om macht te hebben, zij die niet gewend zijn om hun zin niet te krijgen. dat zijn de mensen waarvoor je écht moet oppassen. Een paar van de wetenschappers die aan het onderzoek hebben meegewerkt, realiseerden zich dat waarschijnlijk ook.” |
| | |
| | “Wat hebben ze dan gedaan?’ |
| | |
| | ‘Ze probeerden de uitkomsten van het onderzoek naar ons te brengen, zodat niet alleen de Orde de resultaten in handen zou hebben.’ |
| | |
| | Probeerden. “Waar zijn ze nu?” |
| | |
| | ‘Vlak voordat ze Bagdad bereikten zijn ze vermoord, door de Orde uiteraard.” Basim grijnsde spottend. ‘De rest van de familie wordt gedwongen mee te werken.’ Zijn grijns verdween even abrupt als hij verscheen. ‘Daar is ze.” |
| | |
| | Rayan had haar ook al horen aankomen. Ze probeerde zachtjes te doen, maar het was duidelijk dat ze daar niet op getraind was. Haar zachte voetstappen waren voor hen luid en duidelijk. |
| | |
| | Basim deed geen moeite om zichzelf voor haar te verbergen. ‘Ik kan je horen,’ zei hij, terwijl hij haar kant op liep. |
| | |
| | Rayan volgde hem en zijn hand ging naar de pijlen op zijn rug. Hij zorgde dat hij gedeeltelijk verborgen bleef achter de brede gestalte van Basim. |
| | |
| <center>'''Ogen vol haat'''</center> | | <center>'''Ogen vol haat'''</center> |
| | Ze kreeg Basim in het oog en dook weg achter een dikke pilaar die het grootste gedeelte van haar lichaam afschermde. Een bediende van het paleis was bij haar. |
| | |
| | Rayan snoof. |
| | |
| | Basim gebaarde achter zijn rug dat Rayan haar moest halen. Goed dan. Hij zou laten zien wat geruisloos lopen écht inhield. Zijn voeten raakten fluweelzacht de marmeren tegels, en hij zorgde ervoor dat hij liep waar haar aandacht niet op gevestigd was. Hij hoefde amper moeite te doen: haar angstige ogen waren enkel op Basim gericht. |
| | |
| | Plots keek ze om en kreeg ze hem in het oog. Ze verstarde een moment en ook hij bleef abrupt staan. Ze was een stuk jonger dan hij had verwacht, waarschijnlijk net zo oud als hij. Misschien jonger zelfs. En ongewapend. |
| | |
| | ‘Geef ons de documenten,’ zei hij. ‘Dan gaan we ieder ons eigen weg.’ |
| | |
| | Haar blik ging razendsnel heen en weer en hij wist voordat ze een stap zette al dat ze ervandoor zou gaan. Ze wierp zich opzij naar een dichte deur. Het was haar geluk dat deze niet op slot was. De bediende was langzamer. Rayan smeet hem opzij, tegen de pilaar aan, en rende het meisje achterna. Het was een grote ruimte met kasten vol boeken, waar ze handig gebruik van maakte door met haar gestrekte arm een rij boeken naar achteren te vegen. |
| | |
| | Rayan vloekte binnensmonds toen er een boek tegen de zijkant van zijn gezicht knalde. Woedend schoot hij naar voren. Achter hem hoorde hij de bediende schreeuwen. Basims werk. |
| | |
| [[File:|thumb|''Het was tijd om zich te bewijzen voor de ogen van zijn leermeester Basim.'']] | | [[File:|thumb|''Het was tijd om zich te bewijzen voor de ogen van zijn leermeester Basim.'']] |
| | |
| | Rayan zette zich in een sprong tegen een boekenkast af en kreeg haar tas te pakken. Hij gaf een ruk, waardoor de tas uit elkaar scheurde. Verschillende papieren dwarrelden tussen hen in op de grond. Geschokt kwam het meisje tot stilstand. |
| | |
| | Rayan dook erop af. ‘Basim,’ zei hij. ‘Ik heb ze, denk ik’ |
| | |
| | “Te makkelijk,’ grauwde Basim vanaf de deuropening. “Grijp haar, Rayan.’ |
| | |
| | Dit keer wachtte Rayan geen moment. Hij greep haar enkel voor ze hem te snel af kon zijn. Hij hoorde haar naar adem happen toen ze op de marmeren grond vielen. Hij rolde haar om en haar donkere ogen vlamden van pure haat. |
| | |
| | Ze spuugde in zijn gezicht. |
| | |
| | Hij kon zich maar net bedwingen om daar niet op te reageren. |
| | |
| | ‘De papieren, Rayan,’ zei Basim. |
| | |
| | Ze kronkelde onder hem en het kostte hem enige tijd om haar op de grond vast te pinnen. |
| | |
| | “Jullie monsters,’ siste ze buiten adem, terwijl hij haar kleding doorzocht. ‘Jullie zijn niet alleen moordenaars, maar ook dieven.’ |
| | |
| | Hij boog zich dichter naar haar oor. ‘Een beetje hypocriet om dat te zeggen als lid van de Orde, vind je niet?’ |
| | |
| <center>'''Gifpijl'''</center> | | <center>'''Gifpijl'''</center> |
| | Hij dacht niet meer na, maar handelde puur uit instinct. Zijn handen gleden routinematig over haar kleding, zochten naar de verborgen plekken. |
| | |
| | Rond haar middel ritselde iets en hij trok de bovenste laag van haar kleding omhoog. Haar blik stond fel en ergens voelde hij iets van schaamte. Desondanks ging hij door met zoeken. Daar waren ze. Hij trok de papieren uit haar kleding en stond direct op. Het meisje krabbelde ook op en wierp hem nog een dodelijke blik toe. Hij kneep zijn ogen iets samen bij die blik terwijl hij de papieren wegstopte. Er klopte iets niet. Ze zag er niet uit alsof al haar hoop vervlogen was bij het verlies van de papieren; er was nog te veel vuur, te veel hoop, te lezen in haar donkere ogen. |
| | |
| | Ze had nog een plan. Dat moest haast wel. |
| | |
| | Rayans vingers gleden over de schacht van een nieuwe pijl. Met zijn andere hand draaide hij een kleine koker aan zijn zij open. Hij nam de pijl en doopte de punt in de dodelijke vloeistof in de koker. Een schram van de pijl was nu genoeg om iemand dood neer te doen vallen. Hij had de situatie goed ingeschat. Het meisje draaide zich razendsnel om en sprong naar het dichtstbijzijnde raam. |
| | |
| [[File:|thumb|''Ze wist het zelf nog niet, maar het lot van het meisje was bezegeld.'']] | | [[File:|thumb|''Ze wist het zelf nog niet, maar het lot van het meisje was bezegeld.'']] |
| | |
| | Rayan zette de gifpijl op zijn boog en wachtte een hartklopping lang. Een storm van gedachten wervelde in dat ene moment door zijn hoofd. Waarom was ze ook zo on zettend jong? In feite hadden ze de papieren al, was dat niet voldoende? |
| | |
| | ‘Rayan,’ zei Basim op waarschuwende toon. |
| | |
| | Hij kon niet nogmaals falen. |
| | |
| | En toch. Dit was geen verhit gevecht waar hij uit noodzaak de ander doodde, maar een weloverwogen beslissing. Een koelbloedige moord. |
| | |
| | Zijn vinger trilde. |
| | |
| | Maar wel een moord om te voorkomen dat straks de hele mensheid geen vrijheid meer had. |
| | |
| | Ze sprong op de vensterbank. |
| | |
| | Rayan liet de pijl los. |
| | |
| | Ze slaakte een kreet toen ze met een pijl in haar arm door het raam verdween. |
| | |
| | Rayan liet zijn boog traag zakken. |
| | |
| | Op de achtergrond klonk het geluid van tientallen voetstappen die hun kant op renden |
| | |
| | Basim glimlachte. ‘Goed gedaan. Tijd om te vertrekken.” |
| | |
| | - Einde - |
| </tabber> | | </tabber> |
|
| |
|